Gedurende de tien weken voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek (hierna afgekort als “N. Sw.”) op 1 september 2026, publiceren wij wekelijks een artikel waarin telkens een wijziging wordt besproken die relevant is voor het ondernemingsstrafrecht. Dit derde artikel behandelt de hervorming van het misdrijf laster en het misdrijf beledigingen.
1. Vereenvoudiging van de regels inzake laster en eerroof (art. 240 N. Sw.)
Het nieuwe Strafwetboek beoogt de regels inzake de misdrijven die de eer en goede naam aantasten, te vereenvoudigen en te moderniseren. Eén van de belangrijkste wijzigingen is de afschaffing van het technische onderscheid tussen laster en eerroof. Het nieuwe Strafwetboek bevat voortaan slechts één enkel misdrijf: laster (art. 240 N. Sw.). Dit misdrijf omvat alle situaties waarin iemand publiekelijk en met kwaad opzet aan een persoon een bepaald feit ten laste legt dat zijn reputatie kan schaden of hem kan blootstellen aan publieke minachting.
Het is niet langer relevant of het bewijs voor het ten laste gelegde feit al dan niet kan worden geleverd. De focus verschuift naar het kwaadwillig karakter van de beschuldiging en de mogelijke impact ervan op de betrokkene. De invulling van de vereiste van “openbaarheid” van de geuite beschuldiging, blijft daarentegen wel behouden.
2. Verweermiddelen
Artikel 240 van het nieuwe Strafwetboek bepaalt dat wie wordt vervolgd voor laster niet strafbaar is als hij door enig middel geloofwaardig maakt dat de beweerde feiten aannemelijk zijn. Dit verweer erkent het belang dat personen bezorgdheden kunnen uiten of beschuldigingen kunnen formuleren die op een redelijke feitelijke basis steunen. Dit verweer is evenwel uitgesloten wanneer de beschuldiging uitsluitend werd geuit met de bedoeling schade te berokkenen en geen enkel legitiem openbaar of privébelang dient. Het nieuwe misdrijf omvat bijgevolg ook gedragingen die onder het oude Strafwetboek onder het misdrijf van kwaadwillige ruchtbaarmaking strafbaar werden gesteld (art. 449 Sw.).
3. Lasterlijke aangifte en lasterlijke aantijging in hiërarchische relaties (art. 242 en art. 243 N. Sw.)
Lasterlijke aangifte en lasterlijke uitlatingen gericht aan een ondergeschikte blijven strafbaar gesteld als twee afzonderlijke misdrijven. Voor het misdrijf van lasterlijke aangifte is een kwaadwillig opzet vereist en een schriftelijke lasterlijke aangifte bij de overheid. Een lasterlijke aantijging tegen een ondergeschikte hoeft echter niet meer schriftelijk te gebeuren, maar kan voortaan met eender welk middel worden gesteld. De strafbaarheid van dit misdrijf wordt dus verruimd en aangepast aan de digitale realiteit.
4. Beledigingen (art. 244 N. Sw.)
Ook het misdrijf van belediging ondergaat een aantal wijzigingen. Publieke beledigingen gericht tegen een welbepaalde persoon en gepleegd met kwaad opzet zijn steeds strafbaar, ongeacht de vorm waarin zij plaatsvinden. Het onderscheid tussen mondelinge en schriftelijke beledigingen, dat in het digitale tijdperk steeds kunstmatiger is geworden, wordt afgeschaft. Er wordt ook geen onderscheid meer gemaakt naargelang de hoedanigheid van de beledigde persoon.
Wanneer iemand herhaaldelijk beledigingen uit ten aanzien van een welbepaald – natuurlijk – persoon, kan er volgens de wetgever ook sprake zijn van belaging (art. 237 N. Sw.)
5. Geen klachtmisdrijven meer
Een andere belangrijke wijziging betreft de afschaffing van de vereiste van een voorafgaande klacht door het slachtoffer. De vervolgende instanties zullen dus ook feiten van laster en beledigingen kunnen vervolgen als het slachtoffer zelf niets wenst te ondernemen. Laster en beledigingen zijn onder het nieuwe Strafwetboek dus geen klachtmisdrijf meer.