Gedurende de tien weken voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek (hierna afgekort als “N. Sw.”) op 1 september 2026, publiceren wij wekelijks een artikel waarin telkens een wijziging wordt besproken die relevant is voor het ondernemingsstrafrecht. Dit zesde artikel gaat in op de ingrijpende hervorming van de straftoemetingsregels.
1. De strafdoelstellingen (art. 27 N. Sw.)
Het nieuwe Strafwetboek vat het hoofdstuk over de straffen aan met vier limitatieve strafdoelen waarmee de rechter rekening moet houden bij de straftoemeting. Overeenkomstig artikel 27 van het nieuwe Strafwetboek streeft de rechter meer bepaald de volgende doelen na: (1) het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet; (2) het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en van het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade; (3) het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader; en (4) het beschermen van de maatschappij.
Eén straf kan verschillende doelstellingen nastreven en er bestaat geen rangorde tussen de vier strafdoelstellingen.
De gevangenisstraf wordt expliciet vermeld als ultimum remedium, die de rechter slechts kan uitspreken wanneer de strafdoelen niet kunnen worden bereikt met een van de andere straffen of maatregelen waarin de wet voorziet.
2. Indeling in acht strafniveaus (art. 36 t.e.m. art. 39 N. Sw.)
Eén van de grootste vernieuwingen betreft de invoering van acht strafniveaus. In plaats van telkens per misdrijf de minimum- en de maximumstraf te bepalen, koppelt Boek II van het nieuwe Strafwetboek de misdrijven telkens aan één van die acht strafniveaus. De oude driedeling van de misdrijven in overtredingen, wanbedrijven en misdaden en de daarbij horende politie-, correctionele en criminele straffen wordt dus verlaten. Elk misdrijf wordt ondergebracht in één van de acht niveaus die de mogelijke hoofdstraffen omschrijven. Hoe ernstiger het misdrijf, hoe hoger het niveau en dus de zwaarte van de mogelijke hoofdstraf.
Artikel 36 van het nieuwe Strafwetboek bepaalt per strafniveau de verschillende straffen die de rechter kan opleggen als hoofdstraf voor een natuurlijke persoon. Artikel 38 van het nieuwe Strafwetboek voorziet parallel in de hoofdstraffen die per strafniveau kunnen worden opgelegd aan rechtspersonen. Hiermee behoort het complexe omzettingsmechanisme van het oude Strafwetboek, waarmee de vrijheidsstraffen en geldboetes voorzien voor natuurlijke personen moesten worden omgerekend naar een gepaste geldboete voor de rechtspersoon, tot het verleden.
Artikel 37 en artikel 39 voorzien bovendien in een lijst van bijkomende straffen die kunnen worden opgelegd aan natuurlijke personen, respectievelijk rechtspersonen in de door de wet bepaalde gevallen.
Dit nieuwe mechanisme, waarbij de rechter telkens kan kiezen uit een reeks straffen die vastgelegd worden per strafniveau, brengt een aanzienlijke vereenvoudiging met zich mee tegenover de huidige straftoemetingsregels.
3. Uitbreiding van het straffenarsenaal
Een andere voorname vernieuwing van Boek I betreft de aanzienlijke uitbreiding van het bestaande straffenarsenaal.
In het verleden trachtte de wetgever al tegemoet te komen aan de beperkte keuzevrijheid van rechtbanken om naast de traditionele geldboete en gevangenisstraf in alternatieve vormen van bestraffing te voorzien. Zo voerde de wetgever in 2002 de werkstraf als autonome straf in, gevolgd door de straf onder elektronisch toezicht en de autonome probatiestraf in 2014.
Met de invoering van Boek I zet de wetgever deze evolutie verder. Niet alleen worden een aantal nieuwe straffen ingevoerd (zoals de geldstraf en de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap), ook het toepassingsgebied van verschillende al bestaande (bijkomende) straffen (waaronder het beroepsverbod en de sluiting van de inrichting) wordt aanzienlijk verruimd. Op die manier beoogt de wetgever het sanctiestelsel te moderniseren en de rechter een gediversifieerd instrumentarium aan te reiken.
Binnen strafniveau 1 kan de rechter aan natuurlijke personen geen gevangenisstraf (of behandeling onder vrijheidsberoving) opleggen. De rechter kan echter wel kiezen uit de volgende hoofdstraffen: een geldboete van 200 tot 20.000 euro, een werkstraf van twintig uur tot honderdtwintig uur, een probatiestraf van zes tot twaalf maanden, een verbeurdverklaring, een geldstraf op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel of een veroordeling bij schuldigverklaring. Deze laatste straf kon tot voor kort alleen maar uitgesproken worden in geval van een overschrijding van de redelijke termijn. Het nieuwe Strafwetboek breidt het toepassingsgebied van deze straf evenwel uit naar situaties waar de redelijke termijn niet noodzakelijk is overschreden.
Binnen de hogere strafniveaus is de keuzevrijheid iets beperkter. Natuurlijke personen worden binnen die strafniveaus veroordeeld tot een straf met vrijheidsbeneming en rechtspersonen met een geldboete. Verzachtende omstandigheden kunnen echter wel leiden tot een verlaging van één of meerdere strafniveaus.
4. Conversiemechanisme voor onaangepaste bijzondere strafwetgeving (art. 78, §1 N. Sw.)
Voor de toepassing van de nieuwe regels op bijzondere strafwetgeving die (nog) niet werd aangepast aan de strafniveaus, blijft de oefening helaas nog steeds complex. Voor die gevallen voorziet artikel 78, §1 van het nieuwe Strafwetboek in een conversiemechanisme waarmee de rechter de straffen in de bijzondere wetgeving moet omzetten naar één van de acht strafniveaus van het nieuwe Strafwetboek.
5. Opdeciemen
Een andere noemenswaardige ontwikkeling betreft de herziening van de opdeciemen. In het licht van de doelstelling om het strafrecht accuraat, coherent en eenvoudig te maken, voorziet het nieuwe Strafwetboek namelijk in hogere geldboetes waarin de 70 opdeciemen al vervat zijn, die toepasselijk waren op het ogenblik dat het nieuwe Strafwetboek werd aangenomen. De opdeciemen werden hierdoor met andere woorden op nul gezet. Het idee was dat de geldboeten die in het nieuwe Strafwetboek opgenomen zijn, effectief de concrete boetes zijn waarmee de rechter aan de slag moet, zonder dat er eerst nog zou moeten worden vermenigvuldigd met een bepaalde factor. In de toekomst zou de wetgever dan enkel nog de geldboetes van elk strafniveau moeten indexeren om rekening te houden met de inflatie.
Nog voor het nieuwe Strafwetboek in werking is getreden, heeft de wetgever dit principe echter al overboord gegooid. Bij wet van 19 december 2025 verhoogde de wetgever immers de opdeciemen onder het geldende strafrecht van 70 naar 90 met ingang van 1 februari 2026. Om die verhoging te integreren in het nieuwe Strafwetboek, zullen er vanaf de inwerkingtreding ervan (1 september 2026) 2,5 opdeciemen van toepassing zijn op de geldboeten opgenomen in het nieuwe Strafwetboek.
Een praktisch voorbeeld verduidelijkt dit. Een misdrijf dat onder het oude Strafwetboek strafbaar is met een geldboete van 25 euro, moest vroeger vermenigvuldigd worden met 8 (70 opdeciemen) en vanaf 1 februari 2026 met 10 (90 opdeciemen). De effectieve geldboete was dus 200 euro tot en met 31 januari 2026 en 250 euro vanaf 1 februari 2026. Onder het nieuwe Strafwetboek zijn de 70 opdeciemen reeds geïntegreerd in de geldboeten. Zo is de minimale geldboete voor een straf van niveau 1 niet 25 euro, maar 200 euro. Om rekening te houden met de stijging van 70 naar 90 opdeciemen, moet er hierop een vermeerdering van 2,5 opdeciemen toegepast worden. De minimale geldboete van 200 euro wordt dan een geldboete van 250 euro (200 euro x 1,25), wat overeenstemt met de geldboete onder het oude Strafwetboek vermeerderd met 90 opdeciemen.
De beoogde vereenvoudiging van het systeem van opdeciemen is met andere woorden tenietgedaan nog voordat ze ooit in werking is getreden.