Gedurende de tien weken voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek (hierna afgekort als “N. Sw.”) op 1 september 2026, publiceren wij wekelijks een artikel waarin telkens een wijziging wordt besproken die relevant is voor het ondernemingsstrafrecht. In dit tweede artikel bespreken wij de modernisering van het misdrijf van valsheid in geschriften en oplichting.
1. Valsheid in geschriften of op andere duurzame dragers (art. 451 N. Sw.)
Het nieuwe Belgische Strafwetboek moderniseert het misdrijf van valsheid in geschriften ingrijpend.
De wetgever verlaat het onderscheid tussen de klassieke valsheid in geschriften (art. 193 Sw.) en de informaticavalsheid (art. 210bis Sw.) door beide strafbaarstellingen te versmelten tot één misdrijf, met name “valsheid in geschriften en op andere duurzame dragers” (art. 451 N. Sw.). Er wordt dus geen onderscheid meer gemaakt naar gelang van de gebruikte drager. Hoewel de wetgever ook bij oplichting en informaticabedrog voor een dergelijke benadering had kunnen kiezen, wordt voor die misdrijven geen gelijkaardige hervorming doorgevoerd.
De nieuwe strafbaarstelling vereist voortaan een geschrift of een andere duurzame drager. Volgens de Memorie van Toelichting moet deze drager “duurzaam” zijn, in die zin dat het blijvend karakter van de informatie en de mogelijkheid tot raadpleging ervan wordt gewaarborgd. De wetgever verduidelijkt dat ook films, geluidsopnames en audiovisuele opnames op magneetbanden bijvoorbeeld onder de strafbaarstelling vallen. Cd-roms, e-mails en USB-sticks vallen eveneens onder het toepassingsgebied, terwijl een webpagina daarentegen niet onder de strafbaarstelling zou vallen, aangezien deze niet voldoet aan de vereiste van duurzaamheid doordat zij eenvoudig kan worden gewijzigd. Het toepassingsgebied van het misdrijf lijkt aldus zowel te worden verruimd als beperkt ten opzichte van de huidige regeling.
De duurzame drager moet bovendien betrekking hebben op een “rechtens relevant feit”. Dit impliceert dat het een juridische draagwijdte moet hebben. Ook geschriften of bestanden die louter feiten weergeven die rechtsgevolgen kunnen hebben, voldoen volgens de Memorie van Toelichting aan deze vereiste.
Volgens de klassieke rechtspraak van het Hof van Cassatie moet het geschrift zich ook opdringen aan het openbaar vertrouwen, wat betekent dat het in zekere mate tot bewijs moet kunnen strekken, zodat de overheid of particulieren die ervan kennisnemen of aan wie het voorgelegd wordt, kunnen overtuigd worden van de waarachtigheid van de akte of het juridisch feit in die geschriften vastgelegd. Op gelijkaardige wijze vereist art. 451 N.Sw. dat de duurzame drager “bewijskracht moet kunnen hebben”. Hiervoor volstaat het volgens de Memorie van Toelichting dat het geschrift in zekere mate kan dienen als bewijs voor de gedachte die erin uitgedrukt wordt.
Het misdrijf vereist bovendien nog steeds een bedrieglijk opzet. De vereiste van een “mogelijk nadeel” wordt evenwel geschrapt, omdat dit volgens de wetgever al zou voortvloeien uit het vereiste oogmerk om te schaden.
Daarnaast wordt het specifieke valsheidsmisdrijf dat betrekking heeft op de vervalsing van telegrammen afgeschaft, omdat dit niet langer is aangepast aan de huidige tijdsgeest (art. 211 en 212 Sw.).
Ook het gebruik van de valsheid in geschriften of op andere duurzame dragers met een bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden is strafbaar (art. 451, § 2 N. Sw.).
Zowel het valsheidsmisdrijf zelf als het misdrijf van gebruik van valse stukken worden bestraft met een sanctie van niveau 3, wat overeenstemt met een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar.
2. Oplichting (art. 479 N. Sw.)
Het misdrijf van oplichting onderging eerder in 2023 al een gelijkaardige modernisering. Hier koos de wetgever er niet voor om de klassieke oplichting samen te voegen met het misdrijf van informaticabedrog, maar om de toepassingsgebieden op elkaar af te stemmen.
Oplichting vereist sindsdien dat een “onrechtmatig economisch voordeel” wordt nagestreefd, zoals dat voordien ook al het geval was voor informaticabedrog (art. 504quater Sw.). Dit uitgebreide toepassingsgebied wordt ook overgenomen in het nieuwe Strafwetboek. De klassieke vereiste voor het misdrijf van oplichting, nl. de overhandiging van een zaak, werd hiermee definitief verlaten. Het volstaat dat de dader beoogt een onrechtmatig economisch voordeel te verwerven. Een effectieve overhandiging van een goed of het effectief verwerven van het onrechtmatig voordeel is dus niet meer vereist.
Essentieel blijft dat de dader bedrieglijke middelen aanwendt, namelijk door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden, dan wel van listige kunstgrepen. De wetgever vereenvoudigde in het nieuwe Strafwetboek wel het nagestreefde doel van de gebruikte bedrieglijke middelen. Onder het oude Strafwetboek was dit nog een lange, archaïsche formule. Thans vereist artikel 479 N. Sw. veel bondiger dat de dader de bedrieglijke middelen gebruikte “om andermans vertrouwen op slinkse wijze te winnen”.
Beide misdrijven worden bestraft met een sanctie van niveau 3, wat een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar inhoudt.