Gedurende de tien weken voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek (hierna afgekort als “N. Sw.”) op 1 september 2026, publiceren wij wekelijks een artikel waarin telkens een wijziging wordt besproken die relevant is voor het ondernemingsstrafrecht. In dit vierde artikel bespreken wij een aantal belangrijke wetswijzigingen die de afgelopen jaren op nationaal en Europees niveau zijn doorgevoerd aan de vermogensmisdrijven oplichting en misbruik van vertrouwen. Deze wijzigingen worden geconsolideerd in het nieuwe Strafwetboek.
1. Oplichting (art 479 N. Sw.)
Door de wetswijziging die op 18 september 2023 in werking is getreden, werd het misdrijf oplichting al grondig hervormd. Het nieuwe Strafwetboek herneemt deze wijzigingen.
Oplichting vereist niet langer de daadwerkelijke overdracht of levering van geld of goederen. Het volstaat daarentegen dat de dader, voor zichzelf of voor een ander, met bedrieglijk opzet en door het gebruik van bedrieglijke middelen een onrechtmatig economisch voordeel nastreeft. Het is dus niet langer vereist dat het gebruik van bedrieglijke middelen daadwerkelijk resulteert in het verkrijgen van dat onrechtmatig economisch voordeel. Het loutere oogmerk om een onrechtmatig economisch voordeel te verkrijgen volstaat. Oplichting is bijgevolg niet langer een krenkingsmisdrijf, maar een gevaarzettingsmisdrijf.
Het begrip “onrechtmatig economisch voordeel” vervangt de eerdere limitatieve opsomming van “gelden, roerende goederen, verbintenissen, kwijtingen of schuldbevrijdingen”. Als gevolg hiervan kunnen ook onlichamelijke en onroerende goederen het voorwerp van oplichting uitmaken.
Als gevolg van deze terminologische en inhoudelijke aanpassing worden de misdrijven oplichting en de digitale tegenhanger daarvan, namelijk informaticabedrog (art. 488 N. Sw.), op elkaar afgestemd.
De vereiste van aanwending van bedrieglijke middelen blijft daarentegen behouden, maar de omschrijving van het beoogde doel ervan wordt in het nieuwe Strafwetboek verduidelijkt en vereenvoudigd. Artikel 479 N. Sw. verwijst niet langer naar de klassieke formulering “om te doen geloven aan het bestaan van valse ondernemingen, van een denkbeeldige macht of van een denkbeeldig krediet, om een goede afloop, een ongeval of enige andere hersenschimmige gebeurtenis te doen verwachten of te doen vrezen of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen of van de lichtgelovigheid”. In de plaats daarvan bepaalt artikel 479 N. Sw. voortaan dat bedrieglijke middelen worden aangewend “om andermans vertrouwen op slinkse wijze te winnen.”
Zowel oplichting als informaticabedrog worden bestraft met een sanctie van niveau 3, wat een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar inhoudt.
2. Misbruik van vertrouwen (art. 475 N. Sw.)
Ook het misdrijf van misbruik van vertrouwen werd in 2023 gemoderniseerd. Daarbij werd de limitatieve opsomming van “goederen, gelden, koopwaren, biljetten, kwijtingen, geschriften van om het even welke aard, die een verbintenis of een schuldbevrijding inhouden of teweegbrengen” vervangen door de ruimere categorie “roerende goederen met economische waarde”. Daardoor vallen voortaan ook immateriële roerende goederen onder het toepassingsgebied van het misdrijf.
Het nieuwe Strafwetboek neemt deze wijzigingen over, maar brengt zelf geen nieuwigheden aan de misdrijfomschrijving aan.
Misbruik van vertrouwen wordt, net zoals oplichting, bestraft met een sanctie van niveau drie.
Terwijl poging tot oplichting al enige tijd strafbaar was, ontbrak een dergelijke strafbaarstelling tot dusver voor de poging tot misbruik van vertrouwen. Onder het nieuwe Strafwetboek verandert dit, aangezien de poging altijd strafbaar zal zijn voor opzettelijke misdrijven (art. 9 N. Sw.).