Gedurende de tien weken voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek (hierna afgekort als “N. Sw.”) op 1 september 2026, publiceren wij wekelijks een artikel waarin telkens een wijziging wordt besproken die relevant is voor het ondernemingsstrafrecht.
Het nieuwe Strafwetboek introduceert een aantal nieuwe straffen die de strafrechter een ruimer en flexibeler sanctiearsenaal moeten bieden om de verschillende strafdoelstellingen te realiseren. Bovendien breidt de wetgever het toepassingsgebied van verschillende al bestaande straffen gevoelig uit. Dit zevende artikel focust op een aantal sancties die in het bijzonder relevant zijn voor rechtspersonen, hun bestuurders en leidinggevenden. Meer bepaald komen de geldstraf, de dienstverleningsstraf en de probatiestraf aan bod.
1. De geldstraf (art. 55 N. Sw.)
Een belangrijke nieuwigheid is de invoering van een nieuwe vermogensstraf, namelijk de geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel. Met deze straf beoogt de wetgever de rechter de mogelijkheid te bieden om de dader van een misdrijf geldelijk te straffen in verhouding tot de concrete financiële inzet van het misdrijf.
Concreet kan de rechter de dader van een misdrijf dat ertoe strekte rechtstreeks of onrechtstreeks een vermogensvoordeel te behalen, veroordelen tot betaling van een som die overeenstemt met maximum het drievoud van de waarde van dat vermogensvoordeel. Daarbij komen alle vormen van vermogensvoordeel in aanmerking, zelfs het ontwijken van een schuld. Het is bovendien niet vereist dat het vermogensvoordeel daadwerkelijk werd gerealiseerd.
Deze facultatieve geldstraf kan zowel aan natuurlijke als aan rechtspersonen worden opgelegd als bijkomende straf en komt in de plaats van de geldboete. De straf kan worden toegepast wanneer de rechter oordeelt dat een klassieke bijkomende geldboete onvoldoende is om tot een gepaste bestraffing te komen.
Voor misdrijven die slechts strafbaar zijn gesteld met een straf van niveau 1, kan de rechter deze geldstraf bovendien als hoofdstraf opleggen.
Daarnaast kan de geldstraf worden gecombineerd met de verbeurdverklaring van de uit het misdrijf voortvloeiende illegale vermogensvoordelen. Volgens de wetgever streven beide sancties immers een andere doelstelling na. De verbeurdverklaring beoogt te verhinderen dat de veroordeelde zich onrechtmatig verrijkt en fungeert in essentie als een teruggavemaatregel. De geldstraf heeft daarentegen een bestraffend karakter en is erop gericht de veroordeelde financieel te treffen.
Deze cumulatie kan evenwel leiden tot zware sancties en roept vragen op inzake proportionaliteit. Het nieuwe Strafwetboek voorziet daarom in een aantal waarborgen. Zo moet de rechter rekening houden met de financiële draagkracht en de sociale toestand van de veroordeelde (art. 55, derde lid N. Sw.). Daarnaast blijft de rechter in alle gevallen gehouden om proportionaliteit na te streven tussen de ernst van het misdrijf en de opgelegde straf (art. 27 N. Sw.).
2. De dienstverleningsstraf (art. 56 N. Sw.)
De dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap kan worden beschouwd als het equivalent van de werkstraf, maar dan voor veroordeelde rechtspersonen. Door deze straf op te leggen, verplicht de rechtbank de veroordeelde rechtspersoon om een bepaald budget te besteden ten gunste van de gemeenschap. Net zoals de werkstraf, heeft deze straf een consensueel karakter, zodat de rechtspersoon zowel met de straf zelf als met haar draagwijdte en modaliteiten moet instemmen.
De bedoeling is veroordeelde rechtspersonen de mogelijkheid te bieden om, in plaats van een geldboete te betalen, een positieve financiële bijdrage te leveren die kan bijdragen tot het herstel van hun maatschappelijk imago.
Het betreft een hoofdstraf van strafniveau 1 of 2. Het budget bedraagt 200 tot 20.000 euro in strafniveau 1 en 20.000 tot 360.000 euro in strafniveau 2. De straf moet steeds gepaard gaan met een vervangende geldboete. In tegenstelling tot de geldstraf en probatiestraf, kan de straf niet worden opgelegd met uitstel.
Het begrip “gemeenschap” moet overigens limitatief worden geïnterpreteerd. Het betrokken budget mag uitsluitend worden besteed ten gunste van de volgende instanties: “de openbare diensten van de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsook verenigingen zonder winstoogmerk of stichtingen met een sociaal, wetenschappelijk of cultureel oogmerk”.
3. De probatiestraf (art. 44 N. Sw.)
Tot slot voorziet het nieuwe Strafwetboek in de mogelijkheid om ook rechtspersonen te veroordelen tot een autonome probatiestraf. Voorheen was deze straf uitsluitend voorbehouden voor natuurlijke personen.
De probatiestraf houdt de verplichting in om gedurende een door de rechter bepaalde termijn een aantal algemene en bijzondere voorwaarden na te leven. Net zoals bij natuurlijke personen is de instemming van de rechtspersoon een noodzakelijke voorwaarde voor het opleggen van deze straf.
Artikel 44 van het nieuwe Strafwetboek voorziet voor rechtspersonen slechts één algemene voorwaarde, namelijk het niet plegen van nieuwe misdrijven. Voor natuurlijke personen zijn er nog twee andere algemene voorwaarden bepaald. De rechter zal daarnaast bijzondere voorwaarden moeten bepalen. Het valt nog af te wachten welke bijzondere voorwaarden de rechtspraak zal ontwikkelen met betrekking tot de toepassing van deze straf op rechtspersonen.
De duur van de probatiestraf bedraagt meer dan 12 maanden en ten hoogste 2 jaar in strafniveau 2, en meer dan 6 maanden en ten hoogste 12 maanden in strafniveau 1. De probatiestraf gaat bovendien steeds gepaard met een vervangende geldboete of een vervangende gevangenisstraf voor het geval zij niet wordt uitgevoerd.
Een belangrijk voordeel van de probatiestraf is dat deze straf niet wordt vermeld op het uittreksel uit het strafregister.